|
|
Sumatraanse steenkool
1 - West-Sumatra in 1974
In januari 1974 werd ik geplaatst op het ms
Nijkerk, een mooi gelijnd scheepje dat oorspronkelijk was gebouwd als fruitjager voor Van Nievelt, Goudriaan en daarom geheel anders van indeling was dan de andere ex-VNS schepen van de rederij. In die dagen van de eerste oliecrisis werden we weer rond de Kaap gestuurd naar Indonesië bij economische vaart, een gezapige 12 tot 13 knopen. Dat deed de hoofdmotor geen goed. De oude Stork 'Hotlo' motor was dermate aan vervuiling onderhevig dat bij herhaling de roetneerslag in het spoelluchtkanaal in brand vloog. Een zwarte rookkolom uit de schoorsteen was het gevolg, en na een paar weken hoefden we niet eens meer te kijken als we een brandlucht roken, gevolgd door het terugnemen van de omwentelingen en het onvermijdelijke telefoontje van de machinekamer dat het weer zover was. Ook geloof ik dat we wel tien keer in die 35 dagen van Antwerpen naar Tanjung Priok verbrande klepzetels hebben moeten schuren, een berucht kwaaltje van de Hotlo. Nu stonden deze (inmiddels bejaarde) motoren niet in hoog aanzien: er ging een grapje rond dat 'Hotlo' betekende Het Onding Trilt en Lekt Ontzettend...|
Onderweg naar Indonesië: aanloop Kaapstad midden overdag, om post en voorraad op te pikken. |
Aanloop naar Teluk Bayur, met de haven links in de foto. |
We brachten ongeveer twee weken door op de 'kust' van Java. Ik had maar tweemaal de gelegenheid om de wal op te gaan, eenmaal op een excursie naar de Puncak-pas halverwege Jakarta en Bandung, en eenmaal om boodschappen te doen in Soerabaja (let maar niet op de spelling, ik gebruik nu eens Indonesische, dan weer Nederlandse spelling). Op Java zag ik niet één stoomlokomotief, hoofdzakelijk omdat er bij de havens weinig spoorwegverkeer over was, en ook omdat we in Semarang en Probolinggo op de rede lagen. Na ons werk op Java keerden we terug door Straat Soenda, op weg naar
Teluk Bayur bij Padang. En daar bleek het er heel anders uit te zien dan op Java.Teluk Bayur
Toen we binnenkwamen in de Westsumatraanse haven Teluk Bayur (vroeger Emmahaven) bleven we daar bijna een week liggen laden. Het schip rook naar koffie, thee, tabak, rubber en indische kruiden, en eenmaal kwam ik in een onderruim geheel 'gegarneerd' met matten van palmbladeren als bescherming voor de gevoelige balen tabak. De zon scheen verticaal in het ruim op het dwarrelende stof en de glinsterende bruine ruggen van een ploeg Sumatraanse bootwerkers. Het leek wel of de tijd had stilgestaan en de dagen van de 'Loffelijke Compagnie' waren teruggekeerd. Misschien maar goed dat het een illusie was...
|
C3330 aan het werk aan het andere einde van het station. |
Alsof de tijd heeft stilgestaan. |
Portret van een C33. |
|
Buitenliggende Allan schuifbeweging van no. C3330 |
Fabrieksplaat van Emil Kessler uit Esslingen. |
Een ritje op de loc. |
Achter de pakhuizen was het station, waar tweemaal daags een 1'Ct loc van het type C33 binnenkwam met een goederentrein. Deze scharrelde een of twee uur rond en vertrok dan met leeg materieel in tegengestelde richting naar Padang, ongeveer 10 km verderop. Het verkeer was vrij druk doordat er op dat moment verschillende schepen tegelijk aan het laden waren. Het duurde niet lang voordat ik met twee flesjes bier voor de bemanning op een loc klom en vroeg of ik mee mocht rijden. Geen probleem! Gezien het dorstige werk op een stoomlokomotief in de tropen lustte de bemanning wel een biertje en ondanks een behoorlijk taalprobleem (ik sprak ongeveer tien woorden Maleis) ging het prima. Op de voetplaat lag een decimeter steenkool en de loc was erg smerig en een tikje gammel.
|
Een C33 op de kade in Teluk Bayur. |
C3330 bij het perron. Er was alleen goederenverkeer, maar iedereen reed mee op het dak. |
Achteraanzicht van de tweede machine, de C3321. |
|
Achter de pakhuizen in Teluk Bayur. |
Deze opname van no. C3330 is genomen vanaf no. C3321. |
Smerige voetplaat met een decimeter steenkool… |
Er deden twee vaste lokomotieven dienst op deze lijn, de C3330 en de C3321. Van de eerste was de stoomdruk teruggebracht; de tweede was in een wat betere toestand. Deze door Kessler gebouwde lokomotieven waren niet echt mooi om te zien, maar hadden wel een fraaie Allan schuifbeweging met twee buitenliggende excentrieken op de krukpen. Vrijwel identieke machines reden ooit op het smalspoor in Portugal.
ontdekking van een kolenopslagplaats
Op een vrije middag liep ik vanuit het station een stukje langs de lijn. Hier ontdekte ik een enorm verlaten kolenopslagcomplex met sporen op twee niveaus en een brug naar een hooggelegen overslaginstallatie boven de haven. Er waren sporen van een vroeger druk kolenverkeer vanuit het binnenland, met een kopspoor aan het einde van de benedensporen, verlaten onderlossers en lange rijen kolenopslagbunkers aan weerszijden van het overwoekerde terrein. Ik liep over de roestende rails het complex in, zorgvuldig oppassend voor slangen.
|
In de richting van Padang is de brug te zien naar de kolenlaadplaats. Het linker spoor leidt naar de opslagplaats. Ik sta nu in het hoofdspoor; let op het onvervalste Staatsspoorsein. |
De brug naar de overslaginrichting. Ik sta weer in het hoofdspoor; het spoor op de voorgrond leidt van de haven naar de opslagplaats rechts achter mij. |
Wat verderop terugkijkend langs het hoofdspoor zien we de overslaginrichting, nu van de andere kant. Rechts het verlaten spoor naar de brug. |
|
De kolenopslagplaats in Teluk Bayur, met achtergelaten rollend materieel. Veel leven zat er niet meer in. Boven over de bunkers liepen ook sporen. |
Er stond nog materieel weg te roesten onder de bunkers. |
Het spoor onder de bunkers, met een onderlosser in het halfduister. |
Pas later heb ik ontdekt waar al die steenkool vandaan kwam, met gebruikmaking van kaarten in de 'Stedenatlas van Nederlands-Indië' (Van Diessen en Voskuil, Asia Minor, 1998). De spoorlijn, waarvan Emmahaven het eindpunt is, loopt via Padang door de Anei-kloof naar Padangpanjang in de 'Padangse Bovenlanden'. Daar is een vertakking: de linkertak van de lijn gaat door naar Bukittinggi (voormalig Fort de Kock, een koloniaal vakantie-oord in het koele hoogland), de rechtertak langs het Singkarakmeer (een oud kratermeer) naar Solok en verder naar Sawahlunto, 150 km van Padang, en het eindpunt Muara.
De kaart van Sawahlunto laat talrijke kolenmijnen zien, volgens de atlas werd hier ongeveer eenderde van de steenkool van Nederlands-Indië geproduceerd in het 'Oembilinveld'. De kaart toont een sorteerinrichting met rangeerterrein, een kabelbaan, een 'Decauville'-mijnspoorweg, het kantoor van de Oembilin Mijnmaatschappij en zelfs een 'Glück Auf Club'. De gevangenis was opvallend dichtbij aan de andere zijde van het spoor... Wat zou deze met de mijnen te maken hebben gehad? Alle hier geproduceerde steenkool ging dus naar Emmahaven en werd via het door mij bezochte opslagcomplex en bijbehorende kolenlader afgevoerd.
Onlangs vond ik een Polygoon-film uit 1929 over West-Sumatra, die laat zien dat Emmahaven een belangrijk bunkerstation was voor de kolengestookte vooroorlogse stoomschepen. De overslagbrug boven de haven is daar ook al op te zien, en zelfs een klein treintje dat er voor langs rijdt. Misschien ging een deel van de steenkool ook naar het kolenbunkerstation in Pulau Wé aan de noordwestpunt van Sumatra.
Film uit 1929 van de spoorweg in West Sumatra - klik op de foto om te starten. |
Ik heb getracht uit te zoeken hoe de installatie moet hebben gewerkt. Het lijkt er op dat hier steenkool werd opgeslagen in afwachting van een schip; de steenkool werd van bovenaf in de bunkers gestort. Als er een schip binnenkwam werd de steenkool onder de bunkers geladen in onderlossers, die vervolgens op de overslagbrug werden gedrukt en gelost boven de stortkoker van de bunker in het schip. De wagens onder de bunkers hadden veel weg van mijnwagens; deze werden vermoedelijk gebruikt voor het overslagbedrijf.
Pakan Baroe
|
|
Kijkend op de kaart mogen we nog wel even stilstaan bij het feit dat gedurende de Japanse bezetting van Sumatra een primitieve uitbreiding is aangelegd van het net van Padang (beginnend bij Moeara) dwars door de jungle naar Pakan Baroe aan de noordoostkust. De Japanners gebruikten daarvoor geronselde Indonesische arbeiders ('romushas') en krijgsgevangenen, waaronder vele Nederlandse zeevarenden en militairen, onder de meest erbarmelijke omstandigheden. De ten koste van vele levens gebouwde spoorweg, of wat daarvoor doorging, werd door de Japanners gereed verklaard op de dag van hun capitulatie in 1945, zonder dat er nadien nog een trein reed.
|
|
.